Restauratie van het orgel

Op 12 december 1975 werd tijdens een algemene inventarisatie van het orgelpatrimonium in Vlaanderen het Vereeckenorgel erkend en beschermd door de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg. Op 11 november 1976 verschijnt dit beschermingsbesluit in het staatsblad.

Het orgel viel tijdens de hete zomer van 1976 voor enkele maanden totaal uit. Het orgel had veel te lijden gehad onder de herstellingswerken aan de toren. Daar het klokkengat gedeeltelijk uitkomt aan de achterkant in de orgelkast, was neervallend puin in het orgel terechtgekomen. Er ontstonden zoveel windverliezen dat de pneumatische traktuur het liet afweten. Alle verdere onderhoudswerken ten spijt was het niet mogelijk om met eenvoudige middelen de toestand te normaliseren. Een ingrijpende restauratie drong zich op. Een aanvraag werd ingediend door de kerkfabriek in 1980 en de toestemming tot aanbesteding werd ontvangen in 1980 maar om budgettaire redenen werd het dossier terug afgevoerd.


In 1989 richtten enkele geïnteresseerden een orgelcomité op dat fungeerde als adviesorgaan voor de kerkfabriek. Een nieuw dossier voor de restauratie van het orgel werd ingediend. Tussen juni 1990 en september 1992 werden verschillende hindernissen overwonnen. Met de goedkeuring van het Gemeentebestuur van Berlare, de provincie Oost-Vlaanderen en de Vlaamse Gemeenschap kwam het licht op groen te staan. Op 25 augustus 1993 bevestigde minister van de Vlaamse Gemeenschap, Johan Sauwens, het akkoord tot restauratie. Het Koninklijk Besluit van 11 september op voorstel van minister Melchior Wathelet en ondertekend door koning Albert II maakte de restauratie definitief.

De laagstbiedende orgelbouwer 'Les Artisans Facteurs d'Orgues et Clavecins' uit Doornik kreeg de werken toegewezen. Hij beschikte over 450 werkdagen om met hoofdzakelijk manueel werk in zijn atelier en ter plaatse deze moeilijke klus te klaren. De werken werden geleid door de zaakvoerder Bertand Couvreur.